Maandag 22 Mei 2017 - Jaarlijkse vakantie

Jaarlijkse vakantie: de voornaamste principes op een rijtje

 

De zomermaanden komen stilaan dichterbij. Uw werknemers maken vakantieplannen en willen weten op hoeveel vakantie ze dit jaar recht hebben. Als werkgever dient u bovendien binnenkort het vakantiegeld te berekenen. Hoog tijd voor een opfrissing van de voornaamste principes van de vakantiereglementering. 

Arbeiders-bedienden

Op het vlak van vakantiewetgeving bestaat er nog steeds een belangrijk onderscheid tussen arbeiders en bedienden. In het kader van het eenheidsstatuut zou dit onderscheid in de toekomst weggewerkt moeten worden. Voorlopig liggen er echter nog geen concrete veranderingen in het verschiet.

 

Duur van de vakantie

In de privésector bouwt een werknemer recht op vakantie op tijdens het voorgaande kalenderjaar: het ‘vakantiedienstjaar’. Het aantal betaalde vakantiedagen dat hij in 2017 mag opnemen, hangt dus af van zijn prestaties geleverd in 2016. Wie het volledig vakantiedienstjaar werkte, heeft het jaar nadien recht op 4 weken betaalde vakantie. Sommige afwezigheden (bv. ziekte gedurende 1 jaar, moederschapsrust ...) worden gelijkgesteld met effectieve prestaties.

De werkgever hoeft het recht op vakantie voor een arbeider niet zelf te berekenen. Het aantal vakantiedagen wordt vermeld op de strook van de vakantiecheque. Werkgevers kunnen deze gegevens ook raadplegen op de website van de Sociale Zekerheid.

Een bediende die werkt in het zesdagenstelsel heeft recht op 2 vakantiedagen per gepresteerde maand. Werkt hij in het vijfdagenstelsel, dan wordt het recht herleid. Ook wanneer hij in het vakantiejaar volgens een ander tewerkstellingsregime werkt dan in het vakantiedienstjaar, moet het opgebouwde recht worden omgerekend.

 

Vakantiedagen

Werknemers moeten hun jaarlijkse vakantie opnemen tijdens het lopende vakantiejaar. Vakantiedagen overdragen naar een volgend jaar is niet toegelaten.

De jaarlijkse vakantie kan collectief vastgelegd worden op sectoraal of op ondernemingsniveau. Indien dit niet gebeurde, bepalen werkgever en werknemer de vakantiedata in een individueel akkoord.

 

Vakantiegeld

De werknemer heeft niet alleen recht op loon voor zijn vakantiedagen (enkel vakantiegeld), hij krijgt ook dubbel vakantiegeld. Dit is een toeslag in verhouding tot het opgebouwde recht, met een maximum van 4 weken.

Het vakantiegeld voor een arbeider wordt betaald door de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of door het bevoegde vakantiefonds. De RJV betaalt het vakantiegeld via overschrijving, enkel op aanvraag kan de betaling nog via circulaire cheque gebeuren (ieder jaar te hernieuwen). De werkgever financiert het vakantiegeld via zijn socialezekerheidsbijdragen.

Het enkel vakantiegeld voor een bediende zit automatisch vervat in het brutoloon van de maand waarin hij de vakantiedag(en) opneemt. Het dubbel vakantiegeld bedraagt 92% van het brutoloon van de maand waarin de bediende zijn hoofdvakantie opneemt, indien nodig geproratiseerd volgens de tewerkstelling gedurende het vakantiedienstjaar.

 

Vertrekvakantiegeld

Bij de uitdiensttreding van een bediende dient hij ook zijn vakantiegeld uitbetaald te krijgen. Het vertrekvakantiegeld vertegenwoordigt het recht op vakantie dat hij bij de huidige werkgever opbouwde, maar nog niet opnam. De volgende werkgever van deze bediende betaalt eveneens vakantiegeld, maar mag dit reeds uitbetaalde vertrekvakantiegeld in mindering brengen.

Het vertrekvakantiegeld bedraagt 15,34% van het verdiende brutoloon. Zowel het enkel vertrekvakantiegeld als het dubbel vertrekvakantiegeld bedraagt 7,67%.

Het enkel vertrekvakantiegeld wordt als loon beschouwd en de werkgever dient hierop socialezekerheidsbijdragen te betalen. Op een deel van het dubbel vertrekvakantiegeld (6,8/7,67) moet de werkgever nog steeds 13,07% inhouden. Hierop zijn geen patronale bijdragen verschuldigd. Het overige dubbel vertrekvakantiegeld (0,87/7,67) is vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen.

 

Vermindering tewerkstellingsbreuk

De werknemer die vermindert van tewerkstelling zal in december van dat jaar een saldo vakantiegeld ontvangen omdat zijn recht op vakantie mee gedaald is. Het jaar nadien zal de werknemer evenmin alle opgebouwde vakantierechten kunnen opnemen en ontvangt hij op het einde van het jaar nogmaals een saldo vakantiegeld.z88;

 

Jeugdvakantie

Een jeugdige werknemer die na zijn opleiding in dienst treedt van een werkgever, heeft het daaropvolgend jaar meestal geen recht op een volledige vakantie. De jeugdvakantieregeling wil jongeren aanmoedigen om snel aan het werk te gaan door hen eenmalig een aanvullende vakantie toe te kennen. De jeugdvakantiedagen worden toegekend voor 4 weken, verminderd met de gewone betaalde vakantiedagen waarop de jongere recht heeft. Jeugdige werknemers ontvangen hiervoor van de RVA een jeugdvakantie-uitkering.

Om recht te hebben op jeugdvakantie, moet een jongere aan volgende, cumulatieve voorwaarden voldoen:

  • op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 25 jaar niet bereikt hebben;
  • in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies, leertijd of opleiding beëindigd hebben en in dienst getreden zijn van een werkgever;
  • in de loop van het vakantiedienstjaar minimaal 1 maand én 13 arbeidsdagen én 70 arbeidsuren verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst;
  • gedurende de vakantie-uren werkloze zonder beroeps- of vervangingsinkomen zijn (bv. ziekte-uitkering, moederschapsuitkering).

 

Seniorvakantie

Oudere werknemers die na een periode van werkloosheid of invaliditeit de arbeid hervatten, hebben geen recht op een volledige vakantie. De seniorvakantieregeling wil ouderen aanmoedigen opnieuw aan de slag te gaan door ook hen een aanvullende vakantie toe te kennen. In tegenstelling tot de regeling van de jeugdvakantie, is het recht op seniorvakantie niet eenmalig. De oudere werknemer kan telkens hij aan de voorwaarden voldoet de seniorvakantie genieten.

Net zoals de jeugdvakantie, geeft de seniorvakantie recht op bijkomende vakantie tot maximaal 4 weken en op bijkomend vakantiegeld: de seniorvakantie-uitkering (uitbetaald door de RVA).

Om de seniorvakantie te bekomen, moet de werknemer aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:

  • tewerkgesteld zijn in een betrekking die onder het toepassingsgebied van de vakantiewetgeving privésector valt (dus geen zelfstandigen, overheid of onderwijs);
  • op 31 december van het vakantiedienstjaar de leeftijd van 50 jaar bereikt hebben;
  • omwille van volledige werkloosheid of invaliditeit (= na 1 jaar ziekte) in het vakantiedienstjaar geen recht hebben op 4 weken wettelijke vakantie;
  • gedurende de vakantie-uren werkloze zonder beroeps- of vervangingsinkomen zijn.

 

Europese vakantie

Onder druk van Europa werd vanaf april 2012 de ‘Europese vakantie’ ingevoerd. Iedere werknemer die niet beschikt over 4 weken gewone vakantie en die een activiteit aanvat of hervat, kan na uitputting van de gewone jaarlijkse vakantie recht hebben op Europese jaarlijkse vakantie, voor zover deze werknemer in het vakantiejaar gedurende een minimumperiode van 3 maanden tewerkgesteld wordt.

Het betreft een aanvullende vakantie, berekend op basis van het jaar van prestaties in het vakantiejaar. Op de dagen Europese vakantie ontvangt een werknemer enkel vakantiegeld, dat beschouwd wordt als de vervroegde uitbetaling van een deel van het opgebouwde recht op vakantiegeld.

Sinds 2013 hebben ook bepaalde deeltijdse werknemers recht op Europese vakantie:

  • deeltijdse werknemers die overschakelen naar een voltijds arbeidsstelsel tijdens het vakantiejaar;
  • deeltijdse werknemers die tijdens het vakantiejaar hun arbeidsstelsel verhogen met ten minste 20% van een voltijds arbeidsstelsel ten opzichte van het gemiddelde van hun arbeidsstelsel(s) tijdens het vakantiedienstjaar. In dit geval dient de berekening van het gewone vakantierecht tot een tekort te leiden van tenminste vier dagen vakantie om aanspraak te kunnen maken op vier weken vakantie;
  • de werknemer die deeltijds ouderschapsverlof opgenomen heeft.